Tweede grote wijziging van het Activiteitenbesluit en de gevolgen voor baggerdepots
Nieuws
dinsdag, 25 mei 2010 12:14

Op 17 maart 2010 is de ontwerp wijziging van het Activiteitenbesluit en bijbehorende regeling gepubliceerd in de Staatscourant. Bij het inwerkingtreden van dit besluit worden baggerdepots met een opslag van minder dan 10.000 m3 vergunningsvrij en moeten zij dus gaan voldoen aan algemene regels. We hebben een aantal belangrijke consequenties op een rijtje gezet.

Aansluiting met Besluit bodemkwaliteit (Bbk)
In de ontwerpwijziging wordt bij het voorschrijven van bodembeschermende voorzieningen voor grond- en baggerdepots aansluiting gezocht bij de voorschriften voor tijdelijke opslag in het Bbk. Het Bbk gebruikt de begrippen kwaliteit en functie van de bodem. Voor de kwaliteit worden de kwaliteitsklassen “landbouw en natuur”, “wonen” en “industrie” gehanteerd. Voor een pakket aan stoffen zijn in het Bbk voor de verschillende kwaliteitsklassen maximale samenstellingswaarden opgenomen.

De feitelijke bodemkwaliteit is vastgelegd in een bodemkwaliteitskaart. De bodemkwaliteitskaart hanteert kwaliteitsklassen met ook de driedeling “landbouw en natuur”, “wonen” en “industrie.

Bodembeschermende voorzieningen
Voorschriften die belangrijke consequenties kunnen hebben voor opslagdepots voor grond en baggerspecie zijn:

Artikel 3.49 van de Regeling (Rarim)
Hierin is vastgelegd dat de opslag van goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken, plaats vindt boven een vloeistofdichte vloer of verharding. Dit geldt ook voor stoffen waaruit een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen.

Artikel 3.50 van de Regeling (Rarim)
Hier is vastgelegd dat van buiten de inrichting afkomstige grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de waarden als bedoeld in de artikelen 59 en 60 van het Bbk overschrijdt, tenzij die ter plaatse van de opslag voldoet aan de eisen van artikel 52 van dat besluit wordt aangemerkt als goederen waaruit vloeibare bodembedreigende stoffen kunnen lekken.

Artikel 59, tweede lid, van het Bbk verwijst naar artikel 35 onder h, waarin de regels zijn vastgelegd voor tijdelijke opslag. Verder wordt verwezen naar het eerste lid onder b, waarin is vastgelegd dat alleen de maximale waarden voor de bodemkwaliteitsklassen van toepassing zijn.

Bij de toepassing van grond moet een dubbele toets worden uitgevoerd. Dat betekent dat getoetst moet worden aan de functie én de kwaliteit. Voor de (tijdelijke) opslag van grond wordt aangesloten bij de criteria voor tijdelijke opslag en dus uitsluitend gekeken naar de kwaliteitsklasse van de ontvangende bodem.

Op grond van het Bbk moet dus voor het bepalen van de noodzakelijke bodembeschermende voorzieningen getoetst worden aan de bodemkwaliteit van de ontvangende bodem. Hieronder is een voorbeeldsituatie uitgewerkt:

  • grond met de kwaliteitsklasse “industrie” mag zonder voorzieningen worden opgeslagen op een opslagterrein met de kwaliteitsklasse “industrie”;
  • als het opslagterrein de kwaliteitsklasse “landbouw en natuur” of “wonen” heeft moet de opslag van grond met de kwaliteitsklasse “industrie” plaatsvinden op een vloeistofdichte vloer. Opgemerkt wordt dat de functieklasse die geldt voor het betreffende perceel geen element is van de toetsing.

Een min of meer vergelijkbaar verhaal geldt natuurlijk ook voor baggerspecie.

Een groot aantal van de baggerdepots is gelegen in het buitengebied. Deze beschikken niet over vloeistofdichte vloeren. In de praktijk blijkt dat de bodem in het buitengebied veelal de kwaliteitsklasse “landbouw en natuur” heeft. Dit betekent dat als op het depot grond met de kwaliteitsklasse “wonen” of “industrie” wordt opgeslagen, vloeistofdichte vloeren of andere gelijkwaardige voorzieningen moeten worden aangebracht. Andere voorzieningen zijn ook mogelijk (vloeistofkerende vloer met overkapping of foliebassins) voor zover door inrichtinghouder wordt aangetoond dat ten minste een gelijk beschermingsniveau wordt gehaald.

Maatwerkvoorschriften
Artikel 3.49 is een zogenaamde verplichte maatregel. Dit betekent dat de inrichtinghouder nog wel de mogelijkheid heeft om andere voorzieningen toe te passen, bijvoorbeeld een vloeistofkerende vloer met overkapping of een foliebassin. Daarvoor is vooraf toestemming nodig van het bevoegd gezag waarbij het bedrijf moet aantonen dat de maatregel voldoet aan het doel. Op het verzoek om een andere maatregel te mogen toepassen moet het bevoegd gezag een besluit nemen, waartegen bezwaar en beroep openstaat.

Het bedrijf heeft hiervoor drie jaar de tijd na inwerkingtreden van het besluit. Tot die tijd worden de voorschriften van de vergunning als maatwerkvoorschriften aangemerkt. Deze wijziging van het Activiteitenbesluit zal naar verwachting dus de nodige lasten met zich meebrengen voor bedrijven en overheid.

Opslag baggerspecie in relatie tot bodemfunctieklasse
Als naar de samenstellingswaarden wordt gekeken komen de kwaliteitsklassen voor baggerspecie en bodem niet met elkaar overeen. De ontwerpregeling stelt wel dat grond en baggerspecie van dezelfde kwaliteitsklasse als de ondergrond zonder voorzieningen mag worden opgeslagen, maar bij de opslag van baggerspecie op grond is nooit sprake van dezelfde kwaliteitsklasse. De ontwerpregeling geeft geen richtlijnen hoe hier mee om te gaan. Een voor de hand liggende omzetting is weergegeven in de volgende tabel.

Tabel: Klasse grond en baggerspecie

Grond Baggerspecie
Achtergrondwaarden        
Wonen
Industrie
Niet toepasbaar
Achtergrondwaarden         
Klasse A
Klasse B
Niet toepasbaar


Als deze omzettingstabel wordt gehanteerd, komen de waarden redelijk met elkaar overeen. Op stofniveau zijn er echter duidelijke verschillen. Voor sommige stoffen geldt voor baggerspecie een hogere waarde dan in de kwaliteitsklasse “wonen” en voor sommige stoffen een lagere waarde. Andere varianten zijn dus ook mogelijk. Zo kan baggerslib ook worden getoetst aan de waarden voor grond en kan dat als uitgangspunt worden gehanteerd. Als een dergelijke omzettingstabel niet in de definitieve regeling wordt opgenomen, kan die alsnog als maatwerkvoorschrift worden opgelegd.

Uitloging
In artikel 3.50, tweede lid, wordt vastgelegd wanneer sprake is van goederen waar in een significante hoeveelheid bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen. Bagger en grond worden hier niet genoemd. Een opmerkelijke zaak. Categorie-2 grond volgens het Bouwstoffenbesluit komt wat betreft samenstellingswaarden redelijk overeen met grond met de kwaliteitsklasse “industrie”. Categorie 2 grond was grond die volgens de definitie licht uitloogde en dus op grond van de NRB met bodembeschermende voorzieningen moest worden opgeslagen en/of toegepast.

Is een depot gelegen op een terrein met de bodemkwaliteitsklasse “industrie” dan lijkt het geen probleem om hier grond met kwaliteitsklasse “industrie” op te slaan. De wijziging van het Activiteitenbesluit staat dit ook toe, onder andere doordat grond niet is opgenomen als een stof waaruit mogelijkerwijs significante hoeveelheden bodembedreigende stoffen uitlogen. De vraag is echter of cumulatie van verontreinigende stoffen in de onderliggende bodem plaatsvindt, als de bodem continue wordt blootgesteld aan (licht) verontreinigde grond. De meeste uitloging van verontreinigende stoffen vindt immers plaats in de eerste maanden van opslag. De bodembelasting door een depot waar periodiek nieuwe grond met kwaliteitsklasse “industrie” wordt opgeslagen is groter dan bij een éénmalige toepassing. Een belangrijk gegeven daarbij is dat de kwaliteit van de aangeboden grond bijvoorbeeld op grond van de overschrijding van het gehalte aan minerale olie wordt aangemerkt als kwaliteitsklasse “industrie” terwijl de ontvangende ondergrond op grond van het gehalte aan lood wordt aangemerkt als kwaliteitsklasse “industrie”. Dat betekent dus een extra belasting van de ondergrond met minerale olie. Bij de volgende partij kan dit echter weer een andere stof zijn.
 
Wordt de opslag van grond, kwaliteitsklasse “industrie”, beoordeeld volgens de NRB, dan wordt het bodemrisico van de opslag van deze grond niet als verwaarloosbaar beschouwd.

Tot slot
Het is bij ons bekend dat een aantal partijen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om in te spreken op het ontwerp. De vraag is hoe de definitieve regeling eruit komt te zien.

 

Plaats reactie


Beveiligingscode
Code vernieuwen
Vul bovenstaande code in
Als de code niet duidelijk genoeg is kunt u deze vernieuwen. Deze stap voorkomt onjuist gebruik door geautomatiseerde systemen.

© De Roever Milieuadvisering 2010