Op 1 januari 2011 is de tweede tranche van de tweede fase van het Activiteitenbesluit (Staatsblad 2010, 781) inwerking getreden. Met deze tweede tranche worden met name afvalgerelateerde bedrijven onder de werking van het Activiteitenbesluit gebracht. Met de wijziging van het Activiteitenbesluit wordt ook de zogenaamde Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) geïntroduceerd. Deze OBM kan een rol spelen bij windmolens met een gezamenlijk vermogen van minimaal 15 megawatt of minimaal 10 molens en bij bedrijven met afvalgerelateerde activiteiten. In het Besluit omgevingsrecht is het toetsingskader voor de OBM opgenomen. Afhankelijk van de activiteit dient te worden getoetst op mer-beoordelingsplicht, grenswaarden voor geluid bij de ligging op een gezoneerd industrieterrein, het doelmatig beheer van afvalstoffen en/of de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het bevoegd gezag.
Activiteiten
In artikel 2.1, lid 1, sub i van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is opgenomen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het verrichten van een activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. De activiteiten worden aangewezen in artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (Bor).
Omdat de betreffende omgevingsvergunning minder uitgebreid hoeft te worden getoetst dan de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, lid 1, sub e van de Wabo (oprichten, veranderingen en/of in werking hebben van een inrichting) wordt de Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) geïntroduceerd.
Samengevat gaat het om de volgende activiteiten die plaatsvinden binnen een inrichting (waarin zich geen gpbv-installatie bevindt):
- De oprichting, wijziging of uitbreiding van één of meer met elkaar samenhangende installaties voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie, met een gezamenlijk vermogen van 15 megawatt of meer of 10 molens of meer. Dit geldt niet als een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
- De oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting bestemd voor het reinigen van afvalwater, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een capaciteit van 50.000 inwonerequivalenten of meer. Dit geldt niet als een milieueffectrapport moet worden gemaakt.
- Inrichtingen voor het reinigen van afvalwater door middel van waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden.
- Het opslaan, verdichten, herverpakken, verkleinen en ontwateren van afvalstoffen voor zover daarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 Wm (beheer van huishoudelijk en andere afvalstoffen) en voor zover deze activiteiten zijn gericht op de verwijdering van afvalstoffen.
- Het opslaan van afvalstoffen van de gezondheidszorg bij mens en dier en van gebruikte hygiënische producten, afkomstig van buiten de inrichting.
- Het opslaan van ten hoogste 10.000 ton banden van voertuigen, van buiten de inrichting afkomstig.
- Het demonteren van autowrakken als bedoeld in artikel 1.1 van het Activiteitenbesluit, anders dan de activiteiten als bedoeld in artikel 4.84 van het Activiteitenbesluit.
- Het opslaan van ten hoogste 50.000 ton van buiten de inrichting afkomstig metaal, voor zover geen sprake is van gevaarlijke afvalstof.
- Het opslaan van buiten de inrichting afkomstige metalen met aanhangende olie of emulsie en het afscheiden van de oliefractie met een maximale opslagcapaciteit van 50 ton voor de afgescheiden oliefractie.
- Het opbulken van grond die afkomstig is van buiten de inrichting van de klasse wonen en de klasse industrie, baggerspecie van klasse A of B en het toepassen van grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de vastgestelde achtergrondwaarden niet overschrijdt met een capaciteit voor de opslag van grond en baggerspecie van ten minste 25 kubieke meter en ten hoogste 10.000 kubieke meter.
- Het opslaan en opbulken van ten hoogste 10.000 ton kunststofafval, ingezameld bij of afgegeven door een andere persoon dan degene die de inrichting drijft, voor zover er geen sprake is van kunststof dat binnen de inrichting geschikt wordt gemaakt voor materiaalhergebruik en activiteiten waarmee uitvoering wordt gegeven aan titel 10.4 Wm (beheer van huishoudelijke en andere afvalstoffen).
Verhouding tot Activiteitenbesluit
Inrichtingen die voor een bepaalde activiteit een OBM moeten aanvragen en verder onder het Activiteitenbesluit vallen worden aangemerkt als een inrichting type B. Dit betekent dat zij voor de activiteiten die niet onder de 'OBM-plicht' vallen een melding in het kader van het Activiteitenbesluit moeten indienen en dienen te voldoen aan de in het Activiteitenbesluit en de daarop gebaseerde Regeling opgenomen voorschriften.
Als sprake is van een inrichting type C dient, in het geval van veranderingen die de gehele inrichting betreffen, een aanvraag te worden ingediend die ziet op het verkrijgen van de 'normale' omgevingsvergunning en een OBM. Als de veranderingen binnen de inrichting alleen betrekking hebben op de activiteit waarvoor de OBM geldt dan kan worden volstaan met het aanvragen van deze vergunning. Op de activiteit waarop de OBM van toepassing is zijn vervolgens de voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de Regeling van toepassing.
Toetsingskader
Het toetsingskader voor de aanvraag om een OBM is opgenomen in artikel 5.13b van het Bor. In dit artikel is bepaald dat de OBM geweigerd moet worden in de volgende gevallen.
- Voor de categorieën activiteiten die hiervoor zijn genoemd onder a, b, g, h en i dient de OBM te worden geweigerd als op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer (mer-beoordelingsplicht) is vastgesteld dat een milieueffectrapport gemaakt moet worden. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met de uitspraak van het Europees Hof van Justitie (d.d. 15 oktober 2009, zaak C-255/08) dat Nederland de richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten onjuist heeft geïmplementeerd. Nederland heeft in het Besluit milieueffectrapportage 1994 ten onrechte drempels vastgesteld die alleen rekening houden met de omvang van projecten. Dit betekent dat bij beantwoording van de vraag of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt ook rekening gehouden moet worden met de omgevingsfactoren zoals bedoeld in bijlage III bij voornoemde richtlijn.
- Voor de categorie genoemd onder c dient de OBM te worden geweigerd indien de activiteit niet voldoet aan de grenswaarden voor geluid bedoeld in artikel 2.14, eerste lid, onder c, onder 2 en 3 van de Wabo (gezoneerd industrieterrein).
Daarnaast is in artikel 5.13b van het Bor bepaald dat de OBM in een aantal gevallen geweigerd kan worden. Het gaat hierbij om de volgende situaties.
- Voor de categorieën activiteiten die zijn genoemd onder d tot en met g en k kan de vergunning worden geweigerd in het belang van het doelmatig beheer van afvalstoffen.
- Voor de activiteiten genoemd onder f tot en met j en k kan de vergunning worden geweigerd op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob).
De uit te voeren toetsing heeft alleen betrekking op de aangewezen activiteit.
Hierbij wordt opgemerkt dat uit de toelichting op de wijziging van het Activiteitenbesluit opgemaakt zou kunnen worden dat er in het kader van de OBM ruimte is voor een uitgebreidere lokale toets dan in het voorgaande omschreven. Zo wordt op pagina 84 van de toelichting aangegeven dat het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren, inhoudende de vraag of een bepaalde inrichting zich mag vestigen op de beoogde locatie of een nieuwe activiteit mag gaan uitvoeren op die locatie, bijvoorbeeld om redenen als geluid en fijnstof. Uit navraag bij Infomil is gebleken dat, buiten de gevallen die zijn genoemd in artikel 5.13b, er geen ruimte is voor een nadere toetsing aan geluid of fijn stof. De betreffende tekst is kennelijk in de toelichting opgenomen omdat de toetsing in de toekomst mogelijk wordt uitgebreid.
Op grond van artikel 5.13a van het Bor mogen aan de OBM geen voorschriften worden verbonden. De van toepassing zijnde voorschriften vloeien voort uit het Activiteitenbesluit.
Procedure
Voor het behandelen van de aanvraag om een OBM dient de reguliere procedure te worden gevolgd (tenzij er sprake is van samenhang met een activiteit waarvoor de uitgebreide procedure is voorgeschreven). Dit betekent dat op grond van artikel 3.8 van de Wabo onverwijld kennis dient te worden gegeven van de aanvraag. Op grond van artikel 3.9 Wabo dient binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een besluit te zijn genomen. Als niet tijdig op de aanvraag wordt beschikt, is de gevraagde vergunning van rechtswege verleend, met uitzondering van de activiteiten die hiervoor zijn genoemd onder a, b, d en e. Op grond van artikel 3.9 Wabo kan de gestelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken worden verlengd. Hiervoor dient een besluit te worden genomen.
Daarnaast is in artikel 8.41a van de Wet milieubeheer bepaald dat, als ook een melding in het kader van het Activiteitenbesluit ingediend moet worden, de aanvraag buiten behandeling dient te worden gelaten als deze melding niet is gedaan of de bij de melding te verstrekken gegevens niet volledig zijn.
Bevoegd gezag
Met het wijzigingsbesluit wordt een nieuw artikel 3.3a in het Bor opgenomen. Op grond van dit artikel vindt een wijziging van het bevoegd gezag plaats. Met het inwerkingtreden van de Wabo zijn de gemeenten voor een groot deel het bevoegd gezag geworden voor de afvalbedrijven. Door het invoegen van artikel 3.3a wordt de provincie in ieder geval tot 1 januari 2012 (datum waarop de regionale uitvoeringsdiensten volgens de planning operationeel zouden moeten zijn) weer bevoegd gezag. Het gaat hierbij om activiteiten binnen een inrichting type B of C als bedoeld in categorie 28.4 en 28.5 van bijlage I, onderdeel C van het Bor waarvoor een OBM nodig is.